Regelen voor het afscheidnemen

Je bent ongetwijfeld met andere dingen bezig dan administratie. Toch zijn er een aantal dingen die je niet uit het oog mag verliezen bij overlijden. 

De begrafenisondernemer regelt met jou de details van de begrafenis, zorgt ook voor het drukken van de rouwbrieven en plaatst een overlijdensbericht in de krant(en), als je dat wil. Hij zal je vragen om volgende documenten te bezorgen: 

  1. het overlijdensattest, opgesteld door een geneesheer; dit attest wordt ook ‘model III C’ genoemd; 
  2. de identiteitskaart van de overledene; 
  3. het trouwboekje van de overledene, wanneer deze gehuwd is; 
  4. het trouwboekje van de ouders of een geboorteakte bij een ongehuwde; 
  5. het rijbewijs; 
  6. het meest recente pensioenstrookje; 
  7. indien aanwezig: de laatste wilsbeschikking. 

De dienst burgerlijke stand van de gemeente van overlijden moet op de hoogte gebracht worden. Meestal doet de begrafenisondernemer dit. Deze dienst verwerkt de aangifte van overlijden en geeft de toelating voor het begraven of cremeren. 

Vergeet ook niet om de verzekeringsmaatschappijen in te lichten. Dit kan je regelen via je verzekeringstussenpersoon of rechtstreeks bij de hoofdzetel van de verzekeringsmaatschappij. Naast de autoverzekering gaat het om: 

  1. de individuele ongevallenverzekering (sommige polissen waarborgen een uitkering bij overlijden); 
  2. de rechtsbijstandverzekeraar; 
  3. eventueel de uitvaartverzekeraar. 

Informeer de bank van de overledene. Alle tegoeden, rekeningen, spaarboekjes en effectendossiers, zowel van het overleden slachtoffer als van de overlevende echtgeno(o)t(e) worden onmiddellijk geblokkeerd. Alle gegeven volmachten vervallen, onder meer ook die om de bankkluis van de overledene te mogen openen. De bank stelt een gedetailleerd overzicht op van alle tegoeden van de overledene en diens echtgeno(o)t(e) op de vooravond van het overlijden en  maakt dit over aan de Administratie der Registratie. Meer informatie?

Verwittig tot slot ook: 

  1. De werkgever van de overledene of de werkloosheidskas, hulpkas of het OCMW wanneer het slachtoffer een werkloosheidsvergoeding of een leefloon ontving. 
  2. Het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen van Zelfstandigen (RSVZ) wanneer het om een zelfstandige gaat, al gebeurt dat vaak door de gemeente van de plaats waar het slachtoffer woont. 
  3. De school van het overleden kind en van de broers en zussen of de school van de kinderen van de overledene, als het een volwassen persoon is. 
  4. De huisbaas, indien de overleden persoon alleen woonde en een huis of een appartement huurde. 
  5. Denk er ook aan om verenigingen waarvan de overledene lid was te vragen om zoveel mogelijk mensen op de hoogte te brengen. 

Zie ook www.belgium.be/nl/familie/overlijden