Ongeval en minderjarigen

  1. Inzage patiëntendossier
  2. Beroepsgeheim hulpverleners
  3. Welke bevoegdheid hebben de ouders in dat geval?

1. Inzage patiëntendossier

Het uitgangspunt van de patiëntenrechten van een minderjarige is net als voor de meerderjarigen de Wet Patiëntenrechten van 22/08/2002. De minderjarige heeft dezelfde rechten met betrekking tot het patiëntendossier als de meerderjarige.

Hij heeft dus het recht ten opzichte van de beroepsbeoefenaar (geneesheer, tandarts, apotheker, vroedvrouw, kinesitherapeut, verplegend personeel en andere paramedici) op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier (art 9, § 1). Tevens heeft hij recht op inzage in het hem betreffende patiëntendossier, ten laatste 15 dagen na zijn verzoek (art. 9, § 2). De persoonlijke notities van een beroepsbeoefenaar en de gegevens die betrekking hebben op derden mag hij echter niet inzien. Maar als de patiënt zich laat bijstaan door een vertrouwenspersoon die ook een beroepsbeoefenaar is, krijgt hij wel inzage in de persoonlijke notities.

Als de patiënt minderjarig is, worden die rechten uitgeoefend door de ouders die het gezag over de minderjarige hebben (art. 12).

De minderjarige patiënt wordt echter wel betrokken bij de uitoefening van zijn rechten, rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. En als hij tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, kan hij zijn rechten zelfstandig uitoefenen. Het is de beroepsbeoefenaar die daarover oordeelt.

Betwistingen kunnen worden voorgelegd aan een lokale ombudsdienst “rechten van de patiënt”, die in elk ziekenhuis wordt ingericht. Als er geen lokale ombudsdienst bevoegd is, kan men terecht bij de federale ombudsdienst “rechten van de patiënt”.

Terloops kan nog worden vermeld dat, als het om niet-medische dossiers gaat binnen de integrale jeugdhulp, andere regels gelden. (Decreet rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp (DRP).

Een bekwame minderjarige – de bekwaamheid wordt vermoed vanaf 12 jaar – zal zijn recht van toegang tot het dossier zelfstandig kunnen uitoefenen (art. 4 DRP). Op dat ogenblik verliezen de ouders het recht om de minderjarige op dat gebied te vertegenwoordigen.

Bronnen:

http://www.belgium.be/nl/gezondheid/gezondheidszorg/patientenrechten/

2. Beroepsgeheim hulpverleners

Hierbij luidt de vraag of een hulpverlener informatie, die hij van een minderjarig verkeersslachtoffer heeft ontvangen in vertrouwen, mag meedelen aan de ouders van die minderjarige?  

Hulpverleners zijn op basis van art. 458 van het Strafwetboek (Sw.) en art. 8 van het Decreet Integrale Jeugdhulp (DIJ) van 7 mei 2004 gebonden door beroepsgeheim. Dit houdt in dat ze de plicht hebben om geheimen die hen werden toevertrouwd wegens hun beroep, te bewaren. Het beroepsgeheim van de hulpverlener wordt hier enkel behandeld ten aanzien van de ouders van een minderjarig verkeersslachtoffer. In de begeleidende nota kan je meer lezen over deze geheimhoudingsplicht.

3. Bevoegdheid van de ouders om te beschikken over de schadevergoeding van het minderjarige verkeersslachtoffer  

Minderjarigen worden door de wet onbekwaam geacht om hun eigen goederen te beheren. Als een minderjarige na een ongeval van een verzekeringsmaatschappij een schadevergoeding toegewezen krijgt, kan hij die dus niet zelf beheren.

3. Welke bevoegdheid hebben de ouders in dat geval?

Het betreft hier enerzijds de vergoeding voor de schade die de minderjarige als gewond slachtoffer zelf geleden heeft en anderzijds de vergoeding van de schade van de minderjarige nabestaanden (kinderen, broers en zussen) van een overleden verkeersslachtoffer.

Als een minderjarige na een verkeersongeval een schadevergoeding ontvangt, zijn het in principe zijn ouders die gezamenlijk instaan voor het beheer van dat geld ( art 376 BW), net zoals ze dit doen voor zijn andere goederen. Dat beheer hangt samen met het ouderlijk gezag.

Het houdt onder meer in dat de ouders daden van bewaring mogen stellen zoals het plaatsen van het geld op een spaarrekening. Ze moeten daarbij steeds het in stand houden en het doen opbrengen van het vermogen van de minderjarige voor ogen houden. Als ze het geld besteden, moet daar een evenwaardig voordeel voor de minderjarige tegenover staan. Als de ouders goederen van de minderjarige willen vervreemden, hebben ze in principe vooraf de machtiging van de vrederechter nodig (art. 378 BW). De ouders moeten de schadevergoeding wel gebruiken in het belang van het kind. De ouders zetten dat geld dan immers om in een voordeel voor de minderjarige. In ieder geval zijn de ouders rekening en verantwoording verschuldigd over het beheer van de eigendom van de minderjarige (art. 379 BW). Dit wil zeggen dat ze bij het einde van de minderjarigheid moeten kunnen aantonen wat er met de schadevergoeding gebeurd is. Alles wat ze niet kunnen verantwoorden, zullen ze moeten teruggeven aan de minderjarige.

 

PDF
Reflectie_Beroepsgeheim hulpverleners tav ouders van minderjarigen_Rondpunt_122014
Download PDF (513 Kb)