Wanneer externe hulp inschakelen?

Het gedrag van je kind kan gedurende lange tijd sterk veranderen. Dat is geen reden tot paniek. Je kind heeft iets ingrijpend meegemaakt.

Wanneer je merkt dat je zelf niet de nodige steun kunt geven, of wanneer je merkt dat de volgende situaties eerder toenemen dan afnemen:

  • je kind blijft angstig om weer op de plaats van het ongeval te komen; 
  • je kind is bang om weer met de fiets of de auto te gaan rijden; 
  • je kind heeft hevige schrikreacties bij het horen van sirenes, slippende banden of remmende auto’s; 
  • je kind is verdrietig of neerslachtig en heeft geen interesse meer in dingen die het vroeger leuk vond; 
  • je kind wil altijd opnieuw over het ongeval vertellen; 
  • je kind slaapt niet of is onrustig; 
  • je kind ervaart blijvende gevoelens van schuld en zelfverwijt; 
  • je kind heeft langdurige concentratie- en/of geheugenproblemen; 
  • je kind denkt aan zelfdoding; 
  • je kind vermijdt alle contact en voelt zich eenzaam; 
  • je kind hyperventileert, voelt zich vermoeid, heeft spanningspijnen, psychosomatische klachten of aanhoudende pijnen aan de gewonde lichaamsdelen. 

Kinderen en jongeren kunnen terecht bij een Centrum Algemeen Welzijnswerk, Slachtofferhulp, Awel, JAC, een privé-therapeut of psycholoog.  

Het boek ‘Kinderen helpen na een schokkende gebeurtenis’ biedt uitgebreide informatie over het verwerkingsproces bij kinderen en hoe hiermee om te gaan.